Er was eens… Caroline Capoen (46) uit Veurne. Al twintig jaar neemt ze de derde graad van het Immaculata in De Panne onder haar vleugels, als zorgcoördinator én leerkracht Nederlands en Engels. Een overdenker, piekeraar – soms zelfs panikeur – maar tegelijk iemand die in haar sprookje leeft. Na de schooluren vind je haar bij haar drie kinderen, op pad met de hond, lopend richting een halve marathon of genietend voor – of zelfs óp – een podium. Klaar om betoverd te worden met haar hersenspinsels?
“En wat wil jij later worden?” Ik hoor mijn vriendjes uit de kleuterklas nog met volle overtuiging antwoorden. De ene werd stervoetballer, de andere astronaut, Alexander werd G.I. Joe en ik ben bijna zeker dat Eline de roze Power Ranger wilde worden. Hoe wilder de droom, hoe trotser mama, papa of juf.
Dromen mocht toen nog. Liefst zo groot, zo ver en zo onrealistisch mogelijk. Hoe unieker, hoe beter. In de lagere school werden astronauten eerder piloten en wereldleiders mikten plots op de burgemeesterssjerp. De wereld werd kleiner en de dromen kregen praktische kantjes.
Ikzelf? Ik zou Oscarwinnares worden. Niet zomaar actrice, nee, ik ging meteen voor de hoofdprijs. Waarom zou ik klein beginnen? Mijn mama had een kledingwinkel en – sorry mama, ik moet iets bekennen – na sluitingstijd sloop ik als tienjarige het pashokje in. Ik trok de mooiste outfits aan en oefende voor de spiegel hoe ik ontroerd mijn Oscar in ontvangst nam. In licht dramatisch Engels pinkte ik een traantje weg (ja mama, ik moet je nog iets bekennen, wenen, dat kon ik toen eigenlijk op commando) en zo bedankte ik mijn ouders en mijn amazing team alsof ik nooit iets anders had gedaan. Het mysterie van die gigantische stapel jurkjes 's morgens in het pashokje is bij deze opgelost.
Maar kleine meisjes worden groot en grote dromen krimpen. Hollywood bleek toch net iets verder dan Gent. Ik ging op kot, studeerde iets met literatuur en cultuur en had – eerlijk is eerlijk – geen flauw idee wat ik ermee zou doen. Eén ding wist ik wél zeker: onderwijs? NOOIT. Wie kiest er nu vrijwillig voor om op school te blijven hangen?
Tot ik erin rolde en er mijn droomjob vond. Vandaag mag ik mee bouwen aan de dromen van mijn leerlingen. Ik mag hen iets bijleren, hen begeleiden, soms zelfs een beetje opvangen of gewoon even zeggen: “Adem in, het komt goed.” Ik mag mee zoeken naar hun toekomst. En dat is eigenlijk best bijzonder.
Ergens ligt lesgeven niet zo ver van mijn meisjesdroom. Ik heb elke dag een livepubliek en dat verhoogje voor het bord zie ik als mijn podium. Mijn tekst leer ik beter vanbuiten, al ligt een beetje improvisatie altijd wel op de loer. En heel af en toe… krijg ik zelfs een applausje. Oké, misschien omdat de bel gaat, maar toch.
Ik zie mijn zesdes vandaag bladeren in studiegidsen, rondlopen op beurzen, twijfelen. Ik zie hen rekening houden met realiteit, verwachtingen en goedbedoelde meningen. Maar weet je?
Laat ze maar weer dromen zoals toen. Laat ze dat kronkelende bospad volgen, met omgevallen bomen en nieuw ontdekte watervalletjes. Laat ze af en toe verkeerd lopen en terugkeren. Laat ze een onverwachte en misschien langere weg kiezen. Ze geraken er wel, misschien niet waar ze eerst dachten, maar wel waar ze moeten zijn.
En eerlijk? Zo’n pad vertelt achteraf toch altijd een beter verhaal dan die rechte, grijze autosnelweg waar je eigenlijk vooral heel snel jezelf voorbij rijdt.