Er was eens… Caroline Capoen (46) uit Veurne. Al twintig jaar neemt ze de derde graad van het Immaculata in De Panne onder haar vleugels, als zorgcoördinator én leerkracht Nederlands en Engels. Een overdenker, piekeraar – soms zelfs panikeur – maar tegelijk iemand die in haar sprookje leeft. Na de schooluren vind je haar bij haar drie kinderen, op pad met de hond, lopend richting een halve marathon of genietend voor – of zelfs óp – een podium. Klaar om betoverd te worden door haar hersenspinsels?
Heb je je sleutels mee? Je portefeuille? En je treinkaart? Hij is toch ingevuld, he? En vergeet je laptop niet!
Zorg ook maar dat je je dikke jas meeneemt. Frank Deboosere voorspelt namelijk kouder weer en je had al een beetje hoofdpijn. Heb je nog Dafalgan op kot liggen? En je fietslichtjes zijn opgeladen, hoop ik?
Met dezelfde vastberaden toon als mijn moeder, vijfentwintig jaar geleden, sta ik aan de trap te roepen. Meer tegen mezelf dan tegen mijn zoon, die ondertussen al lang uit mijn gezichtsveld verdwenen is.
‘Hoor jij mij eigenlijk?’, roep ik nog, waarop de vanzelfsprekende ‘jahaaa’ uit zijn kamer komt. Had ik het anders verwacht? Ik zie de rollende ogen er zo bij en vermoed dat er ook nog een zucht aan te pas kwam. Die ‘jahaaa’ ken ik maar al te goed. Vijfentwintig jaar geleden gebruikte ik precies dezelfde versie. En toen nam ik me plechtig voor dat ik later, als ik zelf kinderen had, nooit zo’n moeder zou worden.
Terwijl ik door de gang loop, struikel ik over een paar schoenen. Een achtergelaten glas staat eenzaam in een hoekje. Een sok ligt moederziel alleen op de grond, zonder partner in zicht. Ik mompel dat het altijd hetzelfde liedje is en dat ik hier blijkbaar alles alleen moet doen.
Lap. Daar ga ik weer. Ik doe het opnieuw!
Dan kruisen de ogen van mijn dochter de mijne. Ik herken die blik meteen. Plots ben ik weer dat meisje van toen, dat met haar ogen rolde wanneer haar moeder weer iets opmerkte. Ik weet precies wat mijn dochter nu denkt: later word ik nooit zoals zij.
En toch stuur ik een berichtje om te vragen of de ene goed is aangekomen en of ik de andere echt niet moet komen ophalen. Ik klap de achterbank van de auto neer om een fiets op te halen en ben trots als ik hun vrienden thuis mag afzetten. Ik blijf wakker om te horen hoe het feestje was en sta vroeger op om voor een examen nog snel een duimpje te sturen. Van hun oma krijgen ze hoogstwaarschijnlijk dezelfde berichtjes, met hetzelfde ongevraagde advies en minstens evenveel hartjes. Alleen heeft zij ondertussen al wat meer ervaring met het negeren van rollende ogen.
Mijn mama begrijp ik nu beter dan ooit. Blijkbaar krijg je bij kinderen niet alleen een hoop liefde cadeau, maar ook een hoofd dat nooit helemaal stilstaat. Zo ben ik een kei in het bedenken van mogelijke problemen nog vóór ze zich hebben voorgedaan. Om mijn gedachten toch wat te verzetten, bel ik mijn mama. Al duurt het maar een paar minuten tot ik weer lichtjes met mijn ogen rol bij haar goedbedoelde advies.
Maar tussen de zuchten en de jahaaa’s schuilen ook heel wat knuffels en spontane verhalen. Dan vergeet ik al die rondslingerende schoenen en onbeantwoorde berichtjes weer. Of toch voor heel even. Want moederliefde mag dan onvoorwaardelijk zijn, mijn geduld met eenzame sokken heeft wel degelijk zijn grenzen. En als mijn dochter later hetzelfde over mij zegt als ik nu over mijn mama, zal ik waarschijnlijk alleen maar glimlachen. Of haar nog snel vragen of ze haar dikke jas meeneemt.